In de lente komt alles in het bos tot bloei en groei 


​De dagen worden langer en de temperaturen stijgen. De winterrust in het bos loopt op zijn einde, trekvogels keren terug, de knoppen van de bomen lopen uit en de bodem van het bos wordt een kleurrijk tapijt van voorjaarsbloeiers.


Achtereenvolgens komen kruidlaag, struiklaag en boomlaag tot leven onder invloed van het licht en de warmte van de zon.


Een waar wonder hoe al dit nieuwe leven elk jaar opnieuw tevoorschijn komt !


Welkom bij B&B Bourgeoisie in het hart van de Ardennen...



De wilde hyacint of boshyacint (Hyacinthoides non-scripta)

De wilde hyacint is een prachtige voorjaarsplant die met zijn donkerblauwe, klokvormige bloemen onmiskenbaar is.

De wilde hyacint kan in sommige bossen de bodem letterlijk blauw kleuren. Maar hier en daar zal je er ook een wit exemplaar tussen zien staan.

image-131478-lente-achtergrond-met-bloesem-en-bloemen.jpg
Voorjaarsbloeiers in het bos

Samen met de lente ontwaken ook de eerste bloemen. Voorzichtig steken zij hun kopjes boven om dan, geprikkeld door de eerste warme zonnestralen, het bos in de omgeving van onze Bed & Breakfast, om te toveren tot een kleurrijk schouwspel...

De bosmuis (Apodemus sylvaticus)

Bosmuizen zijn erg kleine beestjes die tussen de 14 en 35 gram wegen en van kop tot romp 75 tot 100 mm groot zijn. De bosmuis behoort tot de familie van de Muridae of de muizen van de Oude Wereld en komt algemeen voor in de Ardennen.

De gevlekte aronskelk (Arum maculatum) 

De gevlekte aronskelk kan tot 20-40 cm hoog worden. De wortelstok loopt uit in een knolletje met veel zijwortels.

De bladeren zijn pijlvormig die soms bruin- en zwartgevlekt zijn. De bloem verspreidt een lucht van rottend vlees, waar vliegjes op af komen. Wanneer ze op het blad van de bloem komen, dan glijden ze naar binnen. Ze kunnen de bloem dan niet meer verlaten. De volgende dag is het blad minder glad waardoor ze de bloem kunnen verlaten en het stuifmeel mee naar buiten nemen.

De bloeitijd is van april tot mei. De bessen zijn stralend rood.

De blauwe reiger (Ardea cinerea) 

De reigers (Ardeidae) zijn een familie van vogels uit de orde van roeipotigen. De familie telt 67 soorten. De meest voorkomende reiger in ons land is de blauwe reiger. Daarnaast komen ook de grote zilverreiger, kleine zilverreiger, purperreiger, roerdomp en kwak bij ons voor. 

De blauwe, witte en zilver reiger komt in de Ardennen voor en kan je spotten bij de waterkant bij B& Bourgeoisie, waar hij als een getraind opportunist zijn maaltijd weet bij elkaar te scharrelen. 
Reigers zijn niet kieskeurig, ze leven van vissen, kleine zoogdieren en amfibieën, maar ook vis en zelfs slachtafval staan op zijn menu.

Het gewoon speenkruid (Ranunculus ficaria subsp. bulbilifer)

Speenkruid bedekt met zijn gele bloemen als één van de eerste voorjaarsbloeiers grote delen van loofbossen.

Opvallend zijn de broedknolletjes in de oksels van de hartvormige bladeren. Hiermee kan het speenkruid zich explosief vermeerderen.

Speenkruid bloeit van februari tot mei.

Boerenzwaluw (Hirundo rustica)

De boerenzwaluw heeft een schitterend verenkleed met metaalglans, hij voert snelle, sierlijke vluchten uit en is een opvallende en welkome verschijning tijdens de lente  & zomermaanden in de omgeving rond onze B&B en maakt hij nesten in de bogen aan de terassen, en dakranden van onze gebouwen.Tijdens het vliegen pikt de boerenzwaluw met zijn breed geopende bek allerlei insecten als muggen, motten en kevertjes uit de lucht. Om te drinken scheert hij rakelings over het wateroppervlak en dipt dan de ondersnavel in het water.

De daslook (Allium ursinum) 

Op plaatsen waar hij voorkomt kan daslook de bodem vrijwel volledig bedekken met zijn witte bloemenschermen en lancetvormige bladeren.

De lucht in het bos is dan gevuld met een knoflookachtige geur. Die is afkomstig van daslook, dat al generaties lang voor de komst van knoflook door de Ardenezen werd gegeten. Daslook bloeit in april en mei.

Het ree (Capreolus capreolus)

Het ree stond ooit nog model voor de klassieker Bambi, ook wel omdat de jongen van het dier schattige witte vlekken hebben op hun pels. In tegenstelling tot andere hertachtigen hebben reeën geen staart. Maar de mannelijke dieren kunnen het grootste deel van het jaar wel pronken met hun gewei. De kans dat je een ree ziet, is de voorbije jaren een pak groter geworden want de dieren zijn in onze omgeving aan een opmars bezig. Het ree is een middelgroot hoefdier met een vosrode zomervacht en een grijsbruine wintervacht. Bij de overgang van de lente naar de zomer wisselt het ree opnieuw van vacht. De haarwissel start in de nek- en rugstreek, waardoor je in deze periode reeën kan aantreffen die reeds gedeeltelijk roodbruin zijn (halsstreek), maar verder nog de oude grijze winterharen hebben.